vrijdag, januari 22, 2016

Gesprek van het hart

Enige jaren terug nam ik ontslag omdat ik een part-time baan had gevonden. Het was een bewuste keuze voor méér vrije tijd, een betere balans vrije tijd - werk, minder druk en stress, meer boeken lezen en leuke dingen doen. De tijd was me aan het ontglippen. Het was maandag en kníp in de vingers het was vrijdag. Ik had de illusie dat een part-time baan het verlopen van de tijd zou vertragen.
Illusie denk ik nu. De tijd gaat net zo snel en na twee-en-een-half jaar bij de nieuwe werkgever jakker ik weer net zo hard als voorheen. Ik vrees dat het deels aan mij ligt. De werkdruk is hoog, mijn prestatiedrang is echter nog hoger.
Lezen doe gelukkig ik nog steeds. In de gestolen uurtjes, 's avonds op de bank en in de weekenden wanneer ik tracht bij te tanken. Ik las de afgelopen weken 'Une Vie' van Guy de Maupassant, 'De boekhandel' van Penelope Fitzgerald en ben nu 'Woesten' aan het lezen van Kris van Steenberge.

Vandaag kwam ik na een pittige werkdag vermoeid thuis, trok een jeans over mijn legging aan, een trui over mijn col en trotseerde vrijwel direct de kou om een 'tafelgesprek' bij te wonen in de openbare bibliotheek bij mij in de buurt. Marita Mathijsen zou samen met Thomas Verbogt in gesprek gaan onder leiding van Jos Palm.

Ondanks de vermoeidheid heb ik erg genoten van het tafelgesprek. Thomas Verbogt was voor mij initieel 'bijvangst' (ik was meer nieuwsgierig naar wat Marita te vertellen had, met name over de 19e eeuwse literatuur), maar onverwacht wist hij me zeer te boeien.
Bovenal vond ik hem een ontwapenende en uiterst beminnelijke man.
Het zou er niet toe moeten doen in de letteren. Het boek spreekt voor zichzelf.
Maar tóch. Een klein beetje doet het er toe.
Een hoekje in mij voelt zich meer aangegrepen wanneer ik het boek lees en de schrijver me aanspreekt. Ik heb zijn nieuwe boek 'Als de Winter voorbij is' gekocht (gesigneerd door de heer Verbogt) ondanks het feit dat ik het boek al op mijn e-reader had aangeschaft. Deze man verdient een hard copy versie in de boekenkast. En ik kijk er nu een beetje méér naar uit om het te lezen.

Na mijn bezoek aan de OBA fietste ik nog even langs de buurman. Ik liet de nieuwe boeken zien, waaronder ook een gesigneerd boek van Marita Mathijsen.
'Heb je nu weer een boek laten signeren door haar?', zei hij. 'Ze zal wel gedacht hebben, daar héb je d'r weer'.
Ongetwijfeld. Met enige schroom vroeg ik het haar ook. Och jee, ik ben een groupie, dacht ik. Een fan van een emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Waarom? Omdat zij voor mij de letteren in de geschiedenis op zo'n plezierige manier bruisend maakt en toch ook omdat ik haar, net als de heer Verbogt, sympathiek vind.

Onderweg naar buiten las ik was ze geschreven had bij het signeren. '...voor wie het heden minstens net zo mooi is'.
Slik, ineens een brok en de behoefte aan een groot glas wijn.

Op de fiets richting de buurman en dat glas dacht ik na over je verliezen in de tijd, dat mooie verleden dat toch wel behoorlijk als een huis staat, het heden waarin ik rondjes ren en mezelf verlies en honderd andere zaken die ik niet onder woorden kan brengen.

Het blijft voor mij toch wel de kracht van het geschreven woord. Wanneer ik er niet naar zoek zijn er antwoorden en wanneer ik het niet kan verwoorden doet iemand anders dat voor me. Ik hoef het slechts te lezen.

En dat doe ik, elk moment dat ik vrij kan maken.

maandag, december 07, 2015

Waanzin in de letteren


Oktober en november stonden in het teken van de collegereeks van UVA's illustere school: 'Waanzin in de letteren. Ik had er vrije dagen voor opgenomen en wilde me er dusdanig in onderdompelen dat het 6 minivakantiedagen zouden worden. Het genot van iets nieuws ondernemen op reguliere werkdagen! Door de prachtige stad te struinen op de woensdagmiddag en even net te doen alsof ik serieus letterkunde studeerde, in Amsterdam op kamers woonde en op een ontdekkingstocht in Amsterdam was.

Bert Paasman behandelde de 'Waanzin in de 18e-eeuwse literatuur'. Hij had wel even getwijfeld of hij het college kon geven. Tijdens de Verlichting (Age of Reason) was er volgens de heer Paasman weinig ruimte voor gekken in de literatuur. Er was eindelijk licht na de duistere middeleeuwen, die op schrift bevolkt werden door zotten, gekken, magie en ketters.
Toch gebeurden er ook in de 18e eeuw nog wel 'gekke' dingen . Op zondag kon je voor een stuiver 'Dollen kijken' (in Den Bosch afgeschaft in 1809). Dwergwerpen werd nog steeds gepraktiseerd (in 1828 is er in Dordrecht nog een dwerg aan overleden).
In Valkenburg kon je Dolle Alberti voor een stuiver op tafel laten dansen. Voor iets meer kon je hem de hele dag huren bij de caféhoudster.
Ook waren er in de 18e eeuw dames die in de kerk de meest uitzinnige  visioenen kregen, sommigen werden heilig verklaard. Nu zouden we ze ongetwijfeld godsdienstwaanzinnigen vinden.

Wél waren er in de 18e eeuw mensen die waanzinnig werden door liefdesverdriet (Zoals Goethe's Leiden des Jungen Werthers). Rhijnvis Feith schreef een roman genaamd 'Julia', over een liefdeskoppel (liefde op het eerste gezicht) waarvan de hoofdpersoon na het overlijden van zijn geliefde wegkwijnt in een depressie.
Overigens is de enige overgebleven eerste druk van dit boekje in het beheer van Bert Paasman, zoals hij me terecht trots vertelde, toen ik het voorzichtig doorbladerde.

Hoe anders was het gesteld met de 19e eeuw! Dit college werd gegeven door Marita Mathijsen. Graag wijs ik overigens op haar geweldige blog! Zij organiseerde deze collegereeks en was mogelijk de hoofdreden dat ik me hiervoor opgaf. Met veel plezier heb ik enkele van haar boeken gelezen (eentje zelfs tweemaal) omdat ze de literatuur van de 19e eeuw zo tot leven kan brengen.
Daarnaast schrijft ze ook veel in de context tot Amsterdam en brengt daardoor drie favoriete dingen van mij bijeen: literatuur, geschiedenis en Amsterdam.

De 19e eeuw - de eeuw van de Romantiek - koesterde een fascinatie voor de waanzin, zag er een bepaalde sublimiteit in. Men redeneerde dat juist de waanzinnige vaak helder kon zien en dat het angstwekkende tegelijk schoon was. De literatuur werd bevolkt door bijvoorbeeld dubbelgangers (Hoffman & Poe), gekwelde en mogelijk psychisch gestoorde dames die suïcide pleegden (Madame Bovary, Eline Vere, Anna Karenina, Hedwig Marga de Fontayne) en mannen die moordenaars werden (zoals in 'Een nagelaten bekentenis van Emants').

De 19e eeuwse literatuur is mijn persoonlijke favoriet. Dit zijn boeken waarin ik kan wonen. De hoofdpersonen zijn nog niet zover van mij verwijderd dat ik ze niet meer kan verstaan. Het taalgebruik is erudiet en poetisch. De wereld was minder maakbaar dan nu en het leven was hard, maar ook duidelijker. Men zocht naar een diepere betekenis en het verhevene, in het bovennatuurlijke en het natuurlijke, in de liefde en het leven zelf. Tegenwoordig lijkt zoveel versnipperd en vergruisd. Onze illusie van maakbaarheid. De afleidingen van alle virtuele werelden. De vereenzaming (ieder voor zich en niet meer zorgen voor elkaar). Het lawaai. De dood die we zover van ons af schuiven, vaak succesvol, dat wanneer hij uiteindelijk toch zijn gezicht laat zien we hem niet meer erkennen.
Soms koester ik een nostalgie richting een eeuw waarin ik nooit geleefd heb. Lees ik passages over een zondagse lunch in Amsterdam en zie ik de rijtuigen rijden, de hoge heren met hoeden op die wandelen, en zie ik nergens mensen naar hun iPhone staren. Kortom - ik romantiseer de eeuw van de romantiek. Niet dat ik werkelijk van eeuw wil ruilen overigens. De emancipatie is ook mij welkom, de reden dat ik een carrière heb, mijn partner zelf kan uitzoeken en kan lezen wat ik wil. Dat ik antibiotica kan slikken wanneer ik longontsteking heb en een vrij mens ben die vele jasjes aan kan doen.
Maar zo heel af en toe is het fijn om via een mooi boek te reizen naar een andere tijd, waar ik, in ieder geval ten de duur van het boek, mij zeer vertrouwd voel.
Dankzij Marita Mathijsen is mijn lijst met 19e eeuwse boekenwerelden weer een stukje gegroeid!

Klaus Beekman gaf een college genaamd 'Waanzin tussen twee wereldoorlogen' (jaren 20 & 30) en de laatste in de reeks was van Stefan Bresser 'Waanzin in de jongste literatuur'. Maar dat verdient nog een apart blogje.

zondag, oktober 18, 2015

De Boekenboom, een zilveren rijder, van Bosch tot Breugel en waanzin en gekte in de 17e eeuw

Spitten in het verleden, mijn liefste bezigheid. In boeken die het verleden laten herleven, in schilderijen waar ik naast de antieke beeltenis ook de schilder voor me zie herrijzen die de eeuwen tussen ons vandaan haalt, maar vaak ook heel erg letterlijk wanneer ik met mijn metaaldetector op pad ga.
Vorige week zondag liep ik, zoals vaker, over een akker. Thermo-ondergoed onder mijn jeans, laarzen soppend in de modder en gedachten op nul. Na slechts tien minuten had ik een mooi signaal en wat ik opgroef was een prachtig stukje historie - een zilveren Rijdersschelling (ofwel een 6 stuiverstuk) uit 1691. Ik moest even op een berg zand bijkomen van ontsteltenis.
De dagen erna ondernam ik meerdere tijdreizen. Ik volgde mijn tweede college in de reeks 'Waanzin in de letteren'. Het college had als onderwerp 'Waanzin en gekte in drama en lyriek van de 17e eeuw' en werd gegeven door Dr Jeroen Jansen. Ik had vreemd genoeg niet veel verwacht van dit college. Mijn interesse in de literatuur gaat vooral uit naar de 19e eeuw; Maar wat heb ik onverwacht genoten van dit college! Dr Jansen las stukken voor uit 'Warenar' van PC Hooft en de taal kwam tot leven.
De tekst op papier kon ik nauwelijks volgen, maar uit zijn mond onstond er begrijpelijke taal. Een belangrijke les hier opgestoken: wil je Oud-Nederlands kunnen begrijpen dan moet je het hardop lezen!
Afbeeldingsresultaat voor warenar backes
Sinds dat college heb ik de neiging om tegen vervelende mensen: 'Spoeytme van de deur, flucks, of je backes sel vlieghen vanghen' te roepen.

Na het college liep ik (wederom door de regen, net als vorige week) linea recta naar 'De Boekenboom'. Dit klein antiquariaat is met lengte de gevaarlijkste boekenwinkel van Amsterdam. De eigenaar deelt mijn smaak. Welke boekenplank ik ook bekijk, ik zie óveral boeken die ik wil lezen (en erger nog - bezitten). Daarnaast kan de eigenaar erg gepassioneerd vertellen over boeken. 'Oh...vond je dát mooi? Nou dan moet je déze lezen!'. Voor ik het wist zat ik in een grote stoel met een prachtig 18e eeuws boek, een boek over het jaar 1597 in Amsterdam ('mijn moeder had het in een ruk uitgelezen') én een Russische klassieker op schoot.

Ik was zo verstandig om met alleen een briefje van twintig binnen te komen (pinnen kan niet) maar het vervelende is nu wel dat ik volgende week terug moet voor de rest. En ik vrees dat ik dat met een blinddoek om moet doen omdat dit anders in ieder geval de komende maand (de resterende tijd van mijn colleges) een terugkerend fenomeen zal zijn.
De winkel is overigens propvol (op een uitzinnige manier). Op de bovenste planken balanceren de kunstwerken van de eigenaar Cees (hij is ook kunstschilder). En wanneer je daar in de 'gaststoel' zit heb je het idee dat je in een schuilkelder gemaakt van boeken bivakeert.
Dat de eigenaar vrij eigenzinnig is had ik al door, maar dit werd nogmaals bevestigd toen er een klant binnenkwam die interesse in een boek had wat de eigenaar niet wilde afstaan omdat hij het eerst zelf nog wilde lezen. Een eigenzinnigheid waar ik erg blij van word (behalve wanneer ik dat boek zelf wil hebben uiteraard).
Ik verliet de zaak na anderhalf uur met 'Amsterdam in 1597' van Gabri van Tussenbroek in mijn tas en kijk nu al uit naar mijn bezoek komende woensdag.
De tijdreis van deze week sloot ik gisteren af in het Boijmans van Beuningen museum met de expositie 'van Bosch tot Breugel' (was een tip van Herman Pleij) waar ik genoot van de Middeleeuwse grollen. Van omstanders ontving ik een aantal vreemde blikken omdat ik hardop de teksten voorlas die als onderschrift op de schilderijen stonden geschreven.

De mensen die mij met een scheef oog aankeken heb ik vriendelijk toegeknikt terwijl ik van binnen ''Spoeytme van de deur, flucks, of je backes sel vlieghen vanghen" dacht.

zaterdag, oktober 10, 2015

Ventielfeest

Ik verkeer de laatste maanden in mijn zestiende midlifecrisis. De laatste jaren zijn een aaneenschakeling van midlifecrisisen (ik was er vroeg bij), sommige groots en van buitenaf geforceerd, anderen stil, sluipend en moorden ontwrichtend.
De huidige behoort tot de laatste.

Waar anderen om zich heen gaan slaan sijpelt de ontwrichting bij mij als een lekkage druppelsgewijs naar binnen en legt me lam. Ik word passief.

In zo'n fase moet ik echt gaan zoeken naar inspiratie, proberen mijn passies aan te wakkeren. Toen ik nog in Griekenland woonde was het gemakkelijker om 'to the beat of my heart' te leven.
En ik wéét uit ervaring dat wanneer ik dat geluid volg de rest uiteindelijk op zijn plaats valt.
Ik heb een ventielfeest nodig.


Dat ik weet wat een ventielfeest is komt door een college dat ik vorige week gevolgd heb bij Herman Pleij over 'de noodzaak van de zot in de Middeleeuwen'. In mijn zoektocht naar hernieuwde inspiratie schreef ik me in voor een speciale collegereeks aan de UVA over 'Waanzin in de letteren'. Het is een collegereeks georganiseerd door Marita Mathijsen, kennelijk passend binnen een reeks die zij al jaren organiseert.
Ik was de jongste in de collegebanken (het gros was zeventig, tachtig en zelfs negentig plus).

Nu vind ik het niet erg om als jongste kandidaat een college te volgen. In tegendeel zelfs, het gegiebel om me heen van bejaarden over de seksgrapjes van Herman Pleij (zelf ook twee-en-zeventig) bracht naast een gevoel van gene ook mij plezier. Daarnaast geeft het me een geruststellende gevoel dat je ook wanneer je negentig bent nog steeds colleges kunt volgen (en giebelen over seks). Ik heb nog even...

Geweldig om Herman Pleij te horen vertellen. Hij dwaalde regelmatig af van zijn uitgangspunt, om er vervolgens nooit meer naar terug te keren, maar dat veroorzaakte juist een gezamelijke ontdekkingstocht.
Pleij vertelde over Erasmus (lof der Zotheid), Thomas More, Hendrik de achtste en het nut van ventielfeesten. Dat een mens een uitlaatklep nodig heeft, net als bepaalde drankvaten die men af en toe moet laten luchten omdat ze anders ontploffen. Dat men het nut van de ventielfeesten al in de vroege middeleeuwen erkende en organiseerde. Een soort van georganiseerde chaos en ontregeling, een dag waarop alles kon. Zodat men daarna weer gelouterd - en vooral in het gareel - verder kon gaan met het eigen monotone bestaan.
Mijn ventielfeesten zijn beperkt de laatste maanden. Ik ben niet op vakantie geweest en de vakantiedagen die ik opnam werden benut om mijn huis te renoveren. Toen ik jonger was ging ik nog wel eens stappen en 'uit mijn dak', maar het dak blijft nu al jaren netjes zitten.
Deze collegereeks is voor mij een ventielfeest in het klein.

Na het college liep ik door de regen in de Spuistraat en kwam ik een klein antiquariaatje tegen. Het leek een woonkamer, maar dan eentje met boekenstapels tot aan het plafond. Er brandde licht maar ik kon niet goed uitvogelen of het 1) een winkel was en 2) open.
Tóch maar even de deur uitgeprobeerd en het volgende moment stond ik in deze woonkamerwinkel zelf tussen de boeken. Het eerste boek dat ik op geluk uit de boekenkast trok ('Lust, dood en Duivel' van Mario Praz) bleek vertaald te zijn door Anton Haakman. Anton komt geregeld terug op mijn blog en is meermaals een onderwerp geweest van toevalligheid in mijn leven.
De huiskamerwinkel bleek ook een paar vierkante meter te hebben waar er ruimte was gemaakt tussen de boeken en twee grote stoelen stonden. Daarin zaten de eigenaar en een vriend van hem en ik raakte in een boeiend gesprek over literatuur, colleges, hysterische vrouwen en waarom het nuttig kan zijn om een Franstalige encyclopedie uit de 18de eeuw te kopen wanneer je geen Frans spreekt.

Ik verliet deze winkel met 'Lust, Dood en Duivel' en 'Melmoth de Dolende' van Charles Robert Maturin. Met deze exemplaren wordt mijn schap met boeken uit de Romatische tijd steeds groter. Ik heb een voorliefde voor de Gotische literatuur. Ik denk dat dit oevre dicht tegen mijn natuur ligt. Voelen boven denken. Nostalgie als een verheven goed. Liefde die tot waanzin drijft. Het bovennatuurlijke ervaren als hoopvol en de grillige schoonheid van de natuur bewonderen en vrezen.
Dat dit een aard is die het leven niet altijd eenvoudiger maakt kun je wel uit mijn inleiding herleiden.

In de avond terug op mijn bank las ik 'De eenhoorn' van Iris Murdoch uit. Mijn eerste kennismaking met deze schrijfster, maar wat heb ik genóten van deze roman!
Geschreven begin jaren zestig maar met een sfeer uit de negentiende eeuw, dus helemaal in de stijl van de Romantiek (jubel!). De eerste helft van het boek loopt traag. Men hangt een beetje om elkaar heen, je wordt rustig aan de hoofdpersonen voorgesteld. Maar dan neemt het boek een wending en wordt je meegesleurd in een kolk aan gebeurtenissen.
Het was voor het eerst in járen dat ik tijdens het lezen van een boek een kreet van walging gaf. Ik hoorde mezelf met een grimas 'Oh nee!' uitroepen. De beklemmende sfeer binnen deze roman blijft nog dagen nazinderen. Ook nu denk ik nog terug aan Marian, Hannah, Denis, Gerard en Effingham, met een licht gevoel van heimwee en geloof ik dat ook ík een klein beetje verliefd ben geworden op Denis.
Het boek is tevens een waarschuwing voor passiviteit en de geweldadigheid waarmee je jezelf kunt lamleggen. Dat geen actie soms de grootste verklaring van oorlog aan jezelf kan zijn.
Daarmee dus ook een goed boek voor mezelf op dit moment.

Ik probeer mijzelf dan ook weer in beweging te krijgen. Waarschijnlijk bestaat de grootste beweging vandaag uit een zoektocht in mijn eigen boekenkast naar mijn volgende leesvoer.
Maar gelukkig heb ik volgende week woensdag weer een klein ventielfeest wanneer ik mijn volgende college volg tussen de bejaarden. En héél misschien loop ik daarna weer naar 'De Boekenboom' in de hoop daar dezelfde mannen aan te treffen verstopt tussen de duizenden boeken en ons gesprek voort te zetten.