vrijdag, juli 06, 2007

Einde oefening

Ik wist het al geruime tijd. Ik wil geen telefoniste meer zijn. Zelfs niet bij een uitgeverij.
Met steeds meer tegenzin sleepte ik de papierbakken naar buiten, schreef ik de manuscripten uit en herhaalde ik driehonderd keer per dag: ‘Uitgeverij PBO, goedendag met Debora, wat kan ik voor U doen?’
Toen ik er kwam werken dacht ik mijn droombaan gevonden te hebben. Ik verwachtte zinderende gesprekken te voeren met beroemde schrijvers. Eindeloze discussies over literatuur met collega's. En mijn baas zou zien dat ik meer in mijn mars had, mij binnen mum van tijd promoveren naar een andere afdeling en niets zou mijn carrière binnen de boekenwereld meer in de weg staan.

De praktijk bleek anders. De schrijvers liepen de deur niet plat. De meeste gesprekken met beroemde schrijvers bleven beperkt tot: ‘Ja meneer Bril, ik verbind U door’ en mijn collega’s hadden het veels te druk om gezellig met de receptioniste over literatuur te babbelen.
En die promotie bleef ook uit.

Een verstandig mens zoekt eerst een andere baan voordat zij haar huidige baan opzegt.
Dat was ook mijn voornemen.
Het liep anders.

Het was mijn eerste werkdag na een heerlijke vakantie. Iedereen gaat dan met een zwaar gemoed weer aan het werk. Ik lag echter al nachten te draaien in bed en nam mijn mobiele telefoon op met de firmanaam van de uitgeverij.
Er gebeurden een aantal onbeduidende dingen die maandagochtend. Ik probeerde een Tl-lamp te verwisselen die onder mijn handen in duizend stukjes uiteen knapte waardoor ik onder de splinters zat.
Ik las in een memo dat er na de verhuizing geen receptie meer zal zijn, maar dat de receptioniste bij de directiesecretaresse op de kamer geplaatst zal worden.
Ik nam de telefoon op en kreeg het wrange gevoel in de film Groundhog day terecht te zijn gekomen.

Met de glassplinters van de Tl-buis nog in mijn handen bracht ik de post naar de directeur en hoorde ik mijzelf zeggen:
‘Ik heb nog een mededeling. Ik verhuis niet mee naar het nieuwe pand half augustus.’

Einde oefening.

zondag, juli 01, 2007

De Magiër

Met een koffer vol boeken vloog ik twee weken geleden naar Chios.
Ik heb er niet één van gelezen.
In het huisje waar we verbleven trof ik een dik boek aan dat bij binnenkomst mijn aandacht trok.
Het was bijna te mooi om waar te zijn, zo blij werd ik van de flaptekst.

Deze manier van toeval-lezen heeft me altijd zeer bekoord. De jaren dat ik op Kreta woonde las ik talloze boeken op deze wijze. Boeken die ik aantrof in hotelbibliotheken. Boeken die op het juiste moment mijn pad kruisten. Ik vond het een spirituele manier van lezen. Een hand die je toegestoken wordt, een boodschap, een nieuwe ervaring.

In dit geval had ik het boek ‘De Magiër’ van John Fowles in handen.
Het boek vertelt het verhaal van een Engelse jongeman, genaamd Nicholas Urfe die een baan als leraar op een Grieks internaat aanneemt. Hij krijgt een tweejarig contract aangeboden op het eiland Phraxos.
Daar ontmoet hij na enkele weken de heer Maurice Conchis, een man met een imponerende persoonlijkheid, innemend en mysterieus.
Conchis nodigt Nicholas uit om het eerstvolgende weekend bij hem te komen logeren en vanaf dat moment staat elk weekend in teken van de villa van Conchis en de onverklaarbare stroom van gebeurtenissen die Nicholas daar overkomen. Conchis verteld stukje bij beetje zijn belevenissen aan Nicholas en zijn verhalen komen letterlijk én figuurlijk tot leven. Na de verhalen over de loopgraven ruikt Nicholas de lijkgeuren en hoort hij soldatenliederen.
Op een gegeven moment dineert zelfs de geest van de verloofde van Conchis mee en wordt Nicholas hopeloos verliefd op haar.

Net als de hoofdpersoon twijfel je als lezer over de geaardheid van de gebeurtenissen. Zijn deze van magische aard of steekt er iets anders achter?
De voortdurende twisten in het plot werpen je ook steeds in andere vertwijfelingen, en daardoor houdt het boek je in zijn macht.

De beschrijvingen van de Griekse landschappen waren een lust om te lezen op het moment dat ik er zelf doorheen struinde.
De haatliefde verhouding van Nicholas Urfe met Griekenland was zo doeltreffend beschreven dat ik moest concluderen dat de auteur er heeft gewoond.
Enkel dán kan deze passionele relatie met Griekenland ontstaan, die aantrekking en afstoting met als resultaat dat een ieder die Griekenland daarna moet verlaten zich in ballingschap in zijn eigen land voelt. Griekenland is een minnares die zich niet eenvoudig laat vergeten.

Het boek sloot naadloos aan op mijn eigen ervaringen op Chios, een eiland vol mystiek en geschiedenis. Het drukte soms op beangstigend correcte wijze mijn gevoelens uit, wanneer ik in een Griekse taverne in een middeleeuws dorp gezeten, over de bergen en de zee uitkeek.
Ik kwam woorden tekort.
John Fowles gaf ze me.

Chios was een droom. Een eiland waar je zo weinig toeristen tegenkomt dat je je haast weer als een ontdekkingsreiziger gaat voelen. Ik wist niet dat het nog bestond in Griekenland.
Middeleeuwse spookdorpen, imposante mastiekdorpen met een doolhof aan straatjes, boogjes en gangetjes. Opa’s en oma’s die je in die straatjes aanhouden voor een kort gesprek, een knuffel, of om een bloem in je haar te steken. Zo veel lieve mensen.
Velden vol mastiekbomen, olijfbomen en oleanders. Ruige bergketens omlijst door compleet verlaten stranden. Kastelen, kloosters, en om je heen niets dan helderblauwe hemel en diepblauwe zee.
Ach…Ellada…

Nu weer terug in Nederland heb ik het één en ander opgezocht over Fowles.
Hij heeft enige jaren op het kleine eiland Spetses lesgegeven, waar hij zijn fictieve eiland Phraxos op gemodelleerd heeft. Nagenoeg alle landschapsbeschrijvingen kloppen en zelfs Villa Bourani lijkt te hebben bestaan. Zou ook Maurice Conchis op een bestaand figuur zijn gebaseerd?

Griezelig dichtbij komt de fictie pas wanneer ik mijn vriend vertel dat Phraxos in werkelijkheid Spetses was, en John Fowles daar les heeft gegeven op een jongensinternaat …
Blijkt dat de vader van mijn vriend daar op school heeft gezeten. Zo ongeveer in de periode dat Fowles er les gaf.
U begrijpt dat ik mijn schoonvader binnenkort ga ondervragen.

Rest mij niets dan U achter te laten met de boodschap dat, indien U binnenkort naar Griekenland gaat afreizen, het boek ‘De Magiër’ van John Fowles uitstekend gezelschap is!

NB: Schoonvader aan de tand gevoeld. Hij heeft inderdaad op het beroemde Anargyrios College in Spetses gezeten, waar Fowles les heeft gegeven. Er zitten wel wat jaren tussen. Fowles gaf er les in 1950 en schoonvader kreeg er les begin jaren zestig.

woensdag, juni 13, 2007

Mijn June

I

V. schreef er al over. De uitgeverij is zelfstandig geworden.
Het heugelijke feit vond plaats op mijn vrije dag en daardoor is de champagne aan mij voorbij gegaan. Er was geen taart.

II

Ik was dit weekend verzonken in het dagboek (volume 1, 1931-1939) van Anais Nin.
Verzonken als in een droom.
Het boek wekte slapende verlangens bij me op, naar vergeten ontmoetingen en verloren vriendschappen. Ik dacht terug aan mijn June, vier jaar geleden op Kreta.
Vanaf de eerste blik was er een verstandshouding en vanaf dat moment voerden we eindeloze zinderende gesprekken. We konden uren praten over boeken. Zij introduceerde Herman Hesse bij me en we spraken vol passie over Demian.
Het was een vriendschap die me vleugels gaf. Zelfs mijn meest onbegrijpelijke theorieën klonken genieus wanneer ik ze met haar deelde.
We lazen de bijbel, zochten er verborgen boodschappen in. We bezochten concerten, verslonden literaire meesterwerken en gingen direct daarna over tot het kijken van 'Friends' en andersoortig plat vermaak. We gingen paardrijden, een gedeelde droom van ons, waarbij ik moest concluderen dat ik geen natuurtalent was, zoals zij. Na één les reed ze als een volleerde cowgirl rond.
Af en toe reden we naar een kasteel met een bakje verf en kwasten in de auto en deden we daar een poging om het op canvas te vereeuwigen.
Het was een vriendschap die een relatie benaderde, een verliefdheid zonder erotiek.
We zijn inmiddels beiden teruggekeerd naar onze 'landen van oorsprong' en hebben het contact met elkaar verloren.
Lezende in het dagboek van Nin miste ik haar dit weekend verschrikkelijk.

III

Het kan soms raar lopen in het leven. Zo schrijf je over Klinkhamer en vervolgens ontmoet je hem in real life.
Er gebeuren meer onverklaarbare dingen. Ik lees Pieter Steinz en krijg hem aan de telefoon.
Martin Bril vraagt me of ik van Vlaamse origine ben, of dat hij dat gedroomd heeft.
Het leven is vol mysterie.

IV

Vannacht vliegen lief en ik naar Chios. We zullen twee weken verblijven in een nagenoeg onbereikbaar dorp genaamd 'Volissos'. Twee maal per week rijdt er een bus heen en vandaan.
Bus gemist? Dan moet je dus vier dagen wachten.
Op anderhalve kilometer afstand ligt het strand. Vanuit ons terras kijken we uit over de heuvels en ik stel me zo voor dat je niets anders hoort dan het ruisen van de wind en het geklingel van geitenbellen.
Als ik daar nog niet tot rust kom...
Ik neem uiteraard een stapel boeken mee.

V.

Bedankt voor de inspiratie voor deze log!

maandag, mei 28, 2007

Connie Palmen

Het pinksterweekend is voorbij gevlogen.
Ik kreeg een bliksembezoek van twee vrienden uit Kreta, die even een rondje Europa deden. Tien dagen terug bezochten ze een bruiloft in Hongarije, vervolgens reden ze in één snik door naar Brussel, waar het circus van de ouders van mijn vriendin gestationeerd is (tot haar twintigste hing ze zelf aan de trapezes).

De dag daaropvolgend bezochten ze Parijs en Disneyworld en daarna reden ze door naar Amsterdam.
Ik geloof dat ze nu weer terug zijn in Griekenland.
Ik word al moe als ik eraan denk.
Uiteraard waren ze hoofdzakelijk geïnteresseerd in het Red-light district. Hoeren, vieze mannetjes en een sexshow in Casa Rosso als toetje. Ook hebben lief en ik ze een koffieshop laten zien. De vriendelijke man achter de toonbank liet ze even ruiken aan een bakje Hasj en Marihuana. Helemaal onder de indruk inhaleerden ze de walmen in de koffieshop om daarna verlegen te vragen: ‘zullen we ergens anders koffie gaan drinken?’

Toen ze weer weg waren hebben we ons achterwerk in de bank gedrukt en zijn we daar de rest van het weekend blijven zitten.

Zo kwam gisterenavond de documentaire van het ‘Uur van de Wolf’ over Connie Palmen voorbij zetten.
In mijn tienerjaren las ik haar debuut ‘De wetten’. Het was een boek dat mij fascineerde terwijl ik nog aan de vooravond stond van mijn relaties. In dit boek schrijft Palmen over een serie relaties en de invloed die ze hadden op de wording van haar hoofdpersoon.
Ik had nog niet kunnen bevroeden dat ik vijftien jaar later zelf een bonte verzameling relaties achter me zou laten, die elk compleet van elkaar verschilden, me soms in duizend stukjes achterlieten, maar waarvan ik geen moment betreur en geen seconde had willen missen. Misschien heeft Connie Palmen's boek een minieme invloed gehad op de manier waarop ik ze een plaatsje gaf.
Ik bewonder Connie Palmen’s eigenschap om alles te kunnen ombuigen tot ervaring, zonder zich te laten vergiftigen door verbittering. Het is het onvermogen om te kunnen accepteren en los te laten dat zoveel mensen jarenlang stilzet terwijl het leven om hun heen zich verder ontvouwt.

Een maand of twee terug kwam Connie Palmen’s laatste boek uit: Lucifer. Ik moet bekennen dat ik door het mediacircus eromheen halverwege ben blijven steken.
Niet omdat ik moraliseerde.
Meer omdat ik een boek in stilte wil lezen, zonder dat iedereen om me heen er dood en verderf over roept. Zelfs dat dood en verderf doet me niet veel, het ligt er meer aan dat iedereen erover roept. Het verbreekt de stilte waarin ik het wil ervaren.
Wellicht neem ik het weer op als het vergeten is en het roepen verstomt.

Connie Palmen is één van Neerlands bekendste auteurs. Zo bekend dat ze zich eigenzinnigheden en arrogantie kan permitteren.
Maar zo presenteert zij zich niet en ik geloof werkelijk dat ze is zoals ze overkomt, vriendelijk en boeiend.

De avond dat haar boek werd gepresenteerd kwam ze rond een uur of vijf de uitgeverij binnen. Ik was nog aan het werk.
Ze werd direct benaderd vanuit alle hoeken om felicitaties in ontvangst te nemen. Max Pam vertelde het boek te hebben gelezen en liet haar vervolgens nerveus achter met de mededeling: ‘Je leest nog wel wat ik ervan vond’.
In alle drukte draaide ze zich naar mij toe, lachte en schudde me de hand. Ze was de eerste (en vooralsnog laatste) auteur die mij - de receptioniste - een hand toestak.

Tijdens de boekpresentatie wrong ik mij naar de tafel met de wijnglazen. Ik wreef een man vriendelijk op de rug zodat hij me langs zou laten. Harry Mulisch draaide zich vervolgens om en lachte naar me.
Bij de tafel met wijn aangekomen kon ik over de hoofden van de bekende Nederlanders nog net Connie Palmen aanschouwen.
Na mijn vierde wijntje nam Cees Nooteboom het eerste exemplaar in ontvangst en sprak Connie Palmen haar dankbetoog uit.
Ik werd overvallen door gevoelens van verliefdheid. Verliefdheid op mevrouw Palmen, op de literatuur en op de wijn.
Het laatste zal ongetwijfeld een bescheiden invloed hebben gehad op het gelukzalige gevoel dat me overviel.

Het was een onvergetelijke avond.

maandag, mei 14, 2007

Moordende schrijvers

Essay: Moord schrijvers (Dit stuk heeft al eerder op literatuur.web-log.nl gestaan. Nog één keer een herkansing).

De eerste Nederlandse prozaschrijver die een moord beging was Johannes Bartholomeus Ferdinand van Gog; In 1775 schreef hij zijn ex -Anna Smitshuizen- zijn laatste lugubere smeekbede. Om het effect van zijn laatste liefdesbrief te vergroten, had hij zijn bloed als inkt gebruikt. De brief had echter niet het beoogde effect. Korte tijd later bracht hij haar door messteken om het leven. (Brief is online te lezen, zie bronnen).
Van Gog staat niet alleen.
Meer schrijvers blijken een duister verleden achter zich te hebben en enkelen putten hier zelfs inspiratie uit voor hun werken. De roman als bekentenis.
Denk maar eens aan William Burroughs (foto). In 1951, tijdens een dronken spelletje Russische roulette, schoot hij 'per ongeluk' zijn echtgenote door het hoofd. Hij heeft hiervoor slechts 13 dagen gezeten. In zijn boek 'The naked lunch,' wijdde hij er een hoofstuk aan.

Dichter bij huis is er onze Gerrit Achterberg, die zijn hospita vermoordde in een vlaag van waanzin toen ze zijn avances afwees. Het Gerrit Achterberg Instituut is gesitueerd in de Boomstraat 20 te Utrecht, de plek waar hij deze moord pleegde. Vreemd dat men juist voor deze locatie heeft gekozen, de moord lijkt haast een rol in zijn verheerlijking te spelen.
'De dood' en 'verlies' zijn altijd overheersende thema's gebleven in Achterbergs gedichten.
Voor de dochter van de vermoorde hospita schreef hij later (uit wroeging?) een vijftal gedichten.
In het jaar 2000 was er oproer in Nederland toen de schrijver Richard Klinkhamer gearresteerd werd voor de moord op zijn vrouw.
Klinkhamer had zichzelf door zijn boek 'Woensdag gehaktdag' al uitermate verdacht gemaakt. Dit boek, dat hij na de verdwijning van zijn vrouw aan zijn uitgever probeerde te slijten, vertelt het verhaal van een man die zijn vrouw in stukjes hakt en vervolgens door de gehaktmolen haalt. Politie haalde Klinkhamers gehaktmolen bij hem weg om deze op menselijke resten te onderzoeken. Er werd niets aangetroffen.
Pas negen jaar later werd het lichaam van Klinkhamers echtgenote gevonden; Hij had zijn huis verkocht en de nieuwe bewoners namen de tuin flink onder handen.
Zij troffen daar de botten van de vrouw aan.
Klinkhamers eigen uitgever wilde in de eerste instantie niet overgaan tot publicatie, hij vond het manuscript te gruwelijk en tot op de dag van vandaag is 'Woensdag gehaktdag' ongepubliceerd gebleven. Klinkhamer vertelde later dat hij het boek had geschreven omdat hij 'een geboren schrijver is en de constante drang voelt om te schrijven.' En de schrijver kan niet anders dan uit zijn eigen werkelijkheid te schrijven, waardoor zelfs in fictie een graad van waarheid doorschemert. Ook dacht hij misschien door dit boek juist de verdenking van zich af te halen, want 'wie schrijft er nu over de moord op zijn echtgenote wanneer hij het werkelijk gedaan heeft?'
Uiteindelijk heeft hij slechts 3,5 jaar vastgezeten voor de moord.
Overigens deelt Klinkhamer een passie met Gerrit Achterberg; Hun lijfboek was 'Misdaad en Straf' van Dostojevski.

De schrijver Otto Veenhoven gebruikte in 2003 zijn tweede boek, 'Sunny Home', om de moord op zijn stiefvader op te biechten. Hij had voor de zekerheid 48 jaar gewacht met het op de markt brengen van zijn boek, zodat de moord verjaard was.
Door zijn boek laaide de discussie over 'wet op verjaring van moord' op. De wet is inmiddels gewijzigd, men kan nu ook na 48 jaar nog bestraft worden.
Of Otto Veenhoven werkelijk zijn stiefvader heeft gedood of dat het - een succesvolle - publiciteitsstunt is, blijft onduidelijk.
Een feit is dat de dood altijd blijft doorschemeren in de werken van moordende schrijvers.
Anne Perry (pseudoniem voor Juliet Hulme) vermoordde in haar jeugd, samen met haar vriendin Parker, de moeder van deze vriendin. Deze moord is verfilmd onder de naam 'Heavenly Creatures' -Academy Award Nominee - met in de hoofdrol o.a. Kate Winslet. Juliet Hulme is nu een bekend misdaadschrijfster De titels van haar bestsellers spreken boekdelen: 'Thou shalt not kill,' en 'No graves as yet.' Waar zou ze de inspiratie vandaan halen?
Zelfs Edgar Allan Poe (foto), de koning van de macabere vertellingen, werd verdacht van moord. In juli 1841 werd het dode lichaam van een mooie Brunette uit de Hudson Rivier in New Jersey gehaald. De vrouw heette Mary Rogers, ze was 21 jaar oud. Ze was verkracht, gewurgd met een strook kant van haar jurk en vervolgens in de rivier gegooid. Feit is dat Mary de schrijver Edgar Allan Poe kende. Hij kwam geregeld de winkel binnen waar ze werkte en flirtte openlijk met haar. De schrijver ging meestal gekleed in een zwarte, lange legercape en volgens een getuige droeg de laatste persoon, samengezien met Mary, dergelijke kledij. Achttien maanden na Mary's dood vereeuwigde Poe de moord in zijn wereldberoemd geworden detectiveverhaal: 'The Mystery of Mary Roget.' Of hij de moord daadwerkelijk gepleegd heeft, is nooit bewezen.
Moordende schrijvers;
Je kunt je tot een boek aangetrokken voelen vanwege het verhaal, om de stijl, of een combinatie van beiden. Hoe moreel verantwoord is het echter om de perverse herinneringen van een moordenaar als voedsel voor de geest binnen te krijgen? Er bestaat immers geen manier zo effectief om gedachten te delen, als een boek. In hoeverre besmet deze schrijver onze gedachten met de zijne?
Wanneer overstijgt de literaire waarde de context?

Bronnen: Essay van Marijn Meijer
Reader's Digest 'Vreemde verhalen, bizarre feiten' (Edgar Allen Poe)

zondag, mei 13, 2007

De vreemdeling - Albert Camus

'De vreemdeling' is voor de lekkere filosofische trek tussendoor. Je kunt het tussen de bedrijven door uitlezen. Zelden las zulke zware kost zo gemakkelijk weg.
De novelle verteld het verhaal van Meursault, een vrij doorsnee persoon. Door 'ongelukkige omstandigheden' (zonnesteek, gekte, domheid, slechtheid, voelde hij zich bedreigd of was het zomaar?) pleegt de man op een dag een moord. Wat daarop volgt is de rechtzitting waarbij men Meursault zwaar veroordeelt vanwege zijn nonchalante aard. Zijn gepleegde daad speelt een veel kleinere rol in het uiteindelijke vonnis. Wat hem wordt aangerekend is dat hij niet huilde op de begrafenis van zijn moeder, en de dag daarna zijn vriendin ontmoette. De boodschap van Camus is dat een ieder die het waagt op de begrafenis van zijn moeder niet te huilen en claimt niet in god te geloven, ter dood kan worden veroordeeld.

''Nu, dan moet ik dus sterven.' Eerder dan anderen, dat viel niet te ontkennen. Maar iedereen weet dat het leven niet de moeite waard is te worden geleefd. In de grond van de zaak wist ik heel goed dat het er weinig toe doet of men op dertig- dan wel op zeventigjarige leeftijd sterft, omdat in beide gevallen natuurlijk andere mannen en vrouwen zullen leven, en wel gedurende duizenden jaren. Niets was duidelijker dan dat. Ik zou toch sterven, of het nu vandaag dan wel over twintig jaar zou zijn. Wat mij op dat ogenblik een beetje hinderde in mijn redenering, was de vreselijke schok waarmee ik aan de twintig jaren dacht die ik nog zou kunnen leven. Maar ik onderdrukte een dergelijke opwelling door mij voor te stellen welke gedachten ik over twintig jaar zou hebben, wanneer het weer zo ver zou zijn. Op het ogenblik dat men sterft, is het van geen belang hoe en waneer dat gebeurt, zoveel was duidelijk.'

De als filosoof afgestudeerde Camus ontving de Nobelprijs in 1957 (zeven jaar voordat Sartre hem ontving - en weigerde. Op deze weigering kwam Sartre overigens jaren later, toen hij in financiële nood verkeerde terug).
Lang heeft Camus niet van de Nobelprijs kunnen genieten. Op 4 januari 1960 verongelukte hij op 46-jarige leeftijd met de auto. Hij was op weg naar Nederland.

In 'Het web van de literatuur' vermeldt Pieter Steinz, dat in het jaar 2000 zesduizend Fransen 'De vreemdeling' van Camus als beste boek van de twintigste eeuw verkozen.
Dit bericht verraste me. Hebben de Fransen een boek uitverkoren dat slechts 143 blz. telt?
Wij, 'nuchtere' Hollanders, kozen een (overigens ook filosofisch) boek van 901 bladzijden als onze topper aller tijden.
Pretentieus?