Ik wist het al geruime tijd. Ik wil geen telefoniste meer zijn. Zelfs niet bij een uitgeverij.
Met steeds meer tegenzin sleepte ik de papierbakken naar buiten, schreef ik de manuscripten uit en herhaalde ik driehonderd keer per dag: ‘Uitgeverij PBO, goedendag met Debora, wat kan ik voor U doen?’
Toen ik er kwam werken dacht ik mijn droombaan gevonden te hebben. Ik verwachtte zinderende gesprekken te voeren met beroemde schrijvers. Eindeloze discussies over literatuur met collega's. En mijn baas zou zien dat ik meer in mijn mars had, mij binnen mum van tijd promoveren naar een andere afdeling en niets zou mijn carrière binnen de boekenwereld meer in de weg staan.
De praktijk bleek anders. De schrijvers liepen de deur niet plat. De meeste gesprekken met beroemde schrijvers bleven beperkt tot: ‘Ja meneer Bril, ik verbind U door’ en mijn collega’s hadden het veels te druk om gezellig met de receptioniste over literatuur te babbelen.
En die promotie bleef ook uit.
Dat was ook mijn voornemen.
Het liep anders.
Er gebeurden een aantal onbeduidende dingen die maandagochtend. Ik probeerde een Tl-lamp te verwisselen die onder mijn handen in duizend stukjes uiteen knapte waardoor ik onder de splinters zat.
Ik las in een memo dat er na de verhuizing geen receptie meer zal zijn, maar dat de receptioniste bij de directiesecretaresse op de kamer geplaatst zal worden.
Ik nam de telefoon op en kreeg het wrange gevoel in de film Groundhog day terecht te zijn gekomen.
‘Ik heb nog een mededeling. Ik verhuis niet mee naar het nieuwe pand half augustus.’